Oostzijde
Weg op de lage dijk langs de Zaan in Zaandam-Oost, die loopt van de Peperstraat in het zuiden tot aan 't Kalf in het noorden. Vroeger liep de Oostzijde aan de zuidkant door tot aan de Zuiddijk bij de Dam en had de straat een belangrijke functie voor het doorgaande wegverkeer. Door de aanleg van een oostelijker gelegen verkeersroute (H. Gerhardstraat-Heijermansstraat-Dr. H.G. Scholtenstraat) is deze functie sterk verminderd. Doorgaand autoverkeer werd zelfs onmogelijk toen de Prins Bernhardbrug met een smalle en lage onderdoorgang de Oostzijde ging overspannen.
Vóór de samenvoeging van Oost- en Westzaandam in 1811 werd de straat voornamelijk De Noord genoemd. Ook de naam Schinkeldijk werd in het verleden gebruikt. In de dijk waren verschillende sluizen met valdeuren aangebracht, waardoor de Zaan verbonden was met sloten in het Oostzijderveld. Deze overbrugde sluisjes (Noorder- en Zuider-valdeur en Doodsluisje) zijn in de 20e eeuw gesloopt. Al veel eerder, in 1829, werd de smalle wegsloot langs de Schinkeldijk gedempt. De Oostzijde werd toen verbreed en bestraat; voor de bekostiging hiervan werden tollen ingesteld bij het Doodsluisje tussen de Oostzijde en 't Kalf en bij het Kattegat op de Zuiddijk.
In verband met de toekomstige bouw van de grote schutsluis in de Dam en de nieuwe Zaan-spoorbrug werd in deember 1900 door 80 eigenaars van percelen en neringdoenden aan de Oostzijde een vereniging opgericht tot bevordering van de nijverheid. 't Kalf en de Oostzijde bleken voor industriële doeleinden uitstekend gelegen, terwijl terreinen in overvloed beschikbaar waren, zodat de verwachting mag gekoesterd worden, dat ook dat stadsgedeelte tot meerdere welvaart zal geraken. Tot bestuursleden van de vereniging werden gekozen de heren F. Eyer, G. Blees, K. Hart, M. Visser en J. Oud.
Aan het eind van de 19e eeuw en in de eerste tientallen jaren van de 20e eeuw werd de Oostzijde inderdaad een vestigingsplaats voor industrieën, waardoor het eerdere karakter als woonstraat voor een groot deel verloren ging.